Vorig weekend stond ik op het WereldFietserFestival. Een dag voor fietsliefhebbers die inspiratie zoeken voor routes, materiaal en plannen. Het festival werd georganiseerd door de Wereldfietser, een vereniging waarvan ik lid ben en die ‘het delen van kennis en elkaar inspireren’ als één van hun kernwaarden heeft benoemd. Toen ze voor deze dag vrijwilligers zochten, stak ik mijn vinger op.
Ik treinde naar Alkmaar, waar het festival plaatsvond in sporthal De Meent. Ik kreeg een statafel toebedeeld tussen tientallen andere tafels. Het is eigenlijk een soort vakantiebeurs voor fietsers, waar liefhebbers zich konden laten informeren én inspireren. Bij mijn tafel ging het over de oostelijke Donauroute: door Hongarije, Kroatië, Servië en Roemenië. Ik had een kaartje van de route en boeken op de tafel gelegd. Mijn buurman had zijn tocht van zuid-Portugal naar noord-Noorwegen uitgestald in foto’s. Zo had iedereen zijn eigen stukje wereld. Omdat ik beroepsmatig meestal aan de andere kant van de tafel zit, voelde het prettig om nu eens de ‘expert’ te zijn.
Het publiek was divers. Sommigen wilden echt weten hoe de route was, door welke landen ik was gefietst en wat ik onderweg tegenkwam. Anderen kwamen vooral vertellen over hun eigen heroïsche tochten. Zonder moeite wisselde ik dan van rol en genoot tot een bepaalde hoogte van hun enthousiasme. Eén man raakte zelfs verzeild in een lang betoog over hoe hij als docent orde hield in de klas. Niet direct relevant, maar vooruit. Er was koffie, er waren broodjes, de sfeer was gemoedelijk.
Aan het eind van de middag kwam er een oudere vrouw bij mijn tafel. Ze bladerde een beetje in de uitgestalde paperassen en vroeg hoe de fietspaden in Roemenië waren. Toen ik zei dat die er nauwelijks zijn, haakte ze meteen af: “Dat lijkt me niks. Gewoon op de weg fietsen?!” Ik vertelde dat de wegen rustig zijn, maar dat maakte geen indruk. Hoe ik was teruggereisd uit Oost-Europa. “Met de fiets in het vliegtuig,” zei ik, licht schuldbewust. Dat kon zij niet, want zij fietst elektrisch. Ik noemde nog het fietsvervoer per transportdienst, maar dat bleek tegen dovemans oren gericht te zijn. Hoe ik dan in Boedapest was gekomen, bij de start van de tocht. “Met de nachttrein,” zei ik kortaf. Ook dat viel op een onvruchtbare bodem.
“Misschien kunt u beter gaan wandelen,” flapte ik eruit. Of ze het hoorde weet ik niet, maar even later stond ze bij het tafeltje van mijn buurman.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO
Dit is mijn 104e blog. Over een maand verschijnt de 105e. Omdat het kan. Aanmelden kan ook. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/








