Optimist

Ik had een koffer nodig. Voor een vliegreis. Rugzakken genoeg, fietstassen in overvloed, maar een koffer ontbrak. Ooit had ik er een, maar die is gesneuveld bij de laatste verhuizing. Want wanneer heb je zo’n ding nou nodig? Daarom. Ik reed naar een kringloopwinkel in een naburig dorp. Kringloopwinkels heb je in diverse soorten en maten. Als er ‘vintage’ op de gevel staat dan word ik argwanend. Dan weet je dat iemand winst heeft geroken. Mijn winkel bevindt zich aan de andere kant van het spectrum: veel spullen, weinig pretentie. Je struikelt er bijna over, ook al staat alles keurig in kastjes en rekken. Ik nam de trap naar boven en na een omweg door de kleding vond ik een hoekje met tassen en koffers. Grote koffers, kleine koffers, harde en zacht, maar ze hadden allemaal één ding gemeen: lelijk. Nou ben ik niet snel onder de indruk van koffers, maar deze collectie had iets ontmoedigends. Ik vermande mij en pakte een viertal koffers uit de kasten om te vergelijken. Ik legde ze neer, controleerde de wielen en het handvat waarmee je, zo stelde ik mij voor, door de luchthaven zou paraderen. Eén koffer viel direct af: het handvat gaf geen krimp. Een andere vond ik bij nader inzien toch te klein. Bleven er twee over. De minst onaantrekkelijke kreeg ik niet open: een cijferslot. Ik probeerde 0-0-0 en 9-9-9, zonder succes. Ik liep naar beneden in de ijdele hoop dat ze misschien de code zouden hebben. De man achter de toonbank kon mij helaas niet helpen, “nee meneer”, zo zei hij opgewekt, “als de code er niet bij staat dan hebben wij hem niet. U kunt wel alle combinaties proberen, hij moet een keer opengaan”. Een grotere afstand tot de arbeidsmarkt kon ik mij niet voorstellen, maar hij had wel gelijk. Ik liep weer terug naar boven en zette ook deze koffer terug in de kast. Op de laatste koffer bleek een sticker met drie cijfers te zitten en verdomd, het cijfer klopte. Wat een ruimte daarbinnen! Mijn hele schoenenverzameling kon mee, een geruststellende gedachte. Er zaten ook elastieken aan vastgemaakt om alles netjes op zijn plaats te houden als ze er op de luchthaven mee gaan gooien. Als een echte reiziger liep ik met de koffer naar beneden en de man achter de kassa keek en noemde een vriendelijk bedrag. Toen ik m’n portemonnee pakte begon hij formulieren in te vullen en kruisjes te zetten met een ernst die het moment gewicht gaf. “Nou meneer, u kunt er weer lekker tegenaan”. Ook daar viel weinig tegenin te brengen.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 106e blog. Over een maand verschijnt de 107e. Omdat het kan. Aanmelden kan ook. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

Vrijwillig

We liepen samen het ziekenhuis binnen. Zij had een afspraak bij de afdeling oren, ik moest eerst nog iets ophalen bij de ogen en zou daarna volgen. Ik liep de voor mij bekende gang in, maar werd al snel teruggeroepen door een vrouw van middelbare leeftijd die van mijn vrouw begrepen had dat er een oor-bestemming in het spel was. “Meneer, u moet naar boven hoor, daar is de afdeling KNO”. Zij was blijkbaar in de veronderstelling dat ik lukraak een gang was ingelopen en wilde mij weer op het juiste pad brengen. “Nee” hoorde ik mijn vrouw al zeggen, “hij gaat naar zijn eigen afdeling” en toen ik dat al gesticulerend nog eens onderstreepte, mocht ik verder. Van de weeromstuit liep ik een verkeerde gang in, wat ik gelukkig heb kunnen corrigeren zonder opnieuw onder toezicht te komen.

Na gedane zaken begaf ik mij naar de afdeling oren. In dit ziekenhuis was dat nummertje 41 en moest ik, zoals mij al was gemeld, de trap op. De bewegwijzering was helder, de gangen breed, de kunst aan de muur zorgvuldig gekozen. Ik begon mij bijna op m’n gemak te voelen. Na nummer 39 liep ik door en zag ik bij nummer 40 een vrouw op een stoel zitten. Zo iemand die in een museum ook wel eens strategisch wordt neergezet om de orde der dingen te bewaken. Ik knikte haar toe.

“Weet u waar u heen moet?” vroeg ze.

“Naar nummer 41” zei ik met een vastberadenheid die elke twijfel moest neutraliseren.

“Dan bent u er bijna. Gewoon doorlopen, kijk, daar is het”. Ik bedankte haar, liep door en nam plaats in de wachtkamer. Mijn vrouw was er niet, ze was blijkbaar al binnengeroepen. Er zaten wel andere wachtenden, alleen of met z’n tweeën. Ik nestelde mij op de bank en verdween in een krantenartikel op m’n telefoon, tot ik plotseling hoorde “meneer, meneer”. Daar stond ze, de hoedster van de juiste route die mij zo adequaat had doorgestuurd.

“U moet zich nog wel even aanmelden bij de zuil daar hoor” en ze wees naar een apparaat aan het begin van de wachtkamer. De wachtenden keken op en nu moest ik toch met de billen bloot. Ik legde uit dat ik op m’n partner wachtte die zich vermoedelijk al in één van de kamers bevond.

“Oh, dan is het goed”, zei ze en liep terug door de gang naar haar post. Heb ik haar toch een beetje kunnen geruststellen.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 105e blog. Over een maand verschijnt de 106e. Omdat het kan. Aanmelden kan ook. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

Inspiratie

Vorig weekend stond ik op het WereldFietserFestival. Een dag voor fietsliefhebbers die inspiratie zoeken voor routes, materiaal en plannen. Het festival werd georganiseerd door de Wereldfietser, een vereniging waarvan ik lid ben en die ‘het delen van kennis en elkaar inspireren’ als één van hun kernwaarden heeft benoemd. Toen ze voor deze dag vrijwilligers zochten, stak ik mijn vinger op.

Ik treinde naar Alkmaar, waar het festival plaatsvond in sporthal De Meent. Ik kreeg een statafel toebedeeld tussen tientallen andere tafels. Het is eigenlijk een soort vakantiebeurs voor fietsers, waar liefhebbers zich konden laten informeren én inspireren. Bij mijn tafel ging het over de oostelijke Donauroute: door Hongarije, Kroatië, Servië en Roemenië. Ik had een kaartje van de route en boeken op de tafel gelegd. Mijn buurman had zijn tocht van zuid-Portugal naar noord-Noorwegen uitgestald in foto’s. Zo had iedereen zijn eigen stukje wereld. Omdat ik beroepsmatig meestal aan de andere kant van de tafel zit, voelde het prettig om nu eens de ‘expert’ te zijn.

Het publiek was divers. Sommigen wilden echt weten hoe de route was, door welke landen ik was gefietst en wat ik onderweg tegenkwam. Anderen kwamen vooral vertellen over hun eigen heroïsche tochten. Zonder moeite wisselde ik dan van rol en genoot tot een bepaalde hoogte van hun enthousiasme. Eén man raakte zelfs verzeild in een lang betoog over hoe hij als docent orde hield in de klas. Niet direct relevant, maar vooruit. Er was koffie, er waren broodjes, de sfeer was gemoedelijk.

Aan het eind van de middag kwam er een oudere vrouw bij mijn tafel. Ze bladerde een beetje in de uitgestalde paperassen  en vroeg hoe de fietspaden in Roemenië waren. Toen ik zei dat die er nauwelijks zijn, haakte ze meteen af: “Dat lijkt me niks. Gewoon op de weg fietsen?!” Ik vertelde dat de wegen rustig zijn, maar dat maakte geen indruk. Hoe ik was teruggereisd uit Oost-Europa. “Met de fiets in het vliegtuig,” zei ik, licht schuldbewust. Dat kon zij niet, want zij fietst elektrisch. Ik noemde nog het fietsvervoer per transportdienst, maar dat bleek tegen dovemans oren gericht te zijn. Hoe ik dan in Boedapest was gekomen, bij de start van de tocht. “Met de nachttrein,” zei ik kortaf. Ook dat viel op een onvruchtbare bodem.

“Misschien kunt u beter gaan wandelen,” flapte ik eruit. Of ze het hoorde weet ik niet, maar even later stond ze bij het tafeltje van mijn buurman.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 104e blog. Over een maand verschijnt de 105e. Omdat het kan. Aanmelden kan ook. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

Terug op aarde

Ik was gisteren lopend op weg naar hotel Rosewood in Amsterdam. Niet om er een kamer te boeken, maar om te kijken hoe eruit ziet. Ik had erover gelezen in de krant en was benieuwd, zowel naar het gebouw als naar de gasten die het zich kunnen veroorloven om exorbitante bedragen neer te leggen voor een nachtje slapen. Mijn plan was eenvoudig: naar binnen lopen alsof ik er thuishoorde. Mocht iemand vragen stellen, dan had ik een antwoord paraat.

Van buiten is het een imposant gebouw en de vlag van Amsterdam wapperde vrolijk op het dak. Vanaf de Prinsengracht liep ik de trappen op, de glazen deur door en vrijwel direct stond ik in een hal met enkele opvallende kunstwerken. Een volgende deur bracht mij in een soort lounge: grote banken, stoelen, koffie drinkende gasten, lezende mensen. Ik was binnen. Ik deed mijn muts af, ritste mijn jas open en probeerde eruit te zien alsof dit mijn natuurlijke habitat was. Toch voelde ik me bekeken en liep door naar een derde ruimte, waar een fototentoonstelling hing. Aandachtig kijken bood een uitstekend alibi om even te blijven staan. Niemand volgde me.

Zonder aarzeling nam ik daarna de brede trap naar boven, richting ‘library’ en ‘spa’. Hoge plafonds, lange gangen, fraaie lampen. In de krant had gestaan dat dit voorheen het Paleis van Justitie was, en dat kon ik me goed voorstellen. Nog eerder was het een weeshuis voor de meest kwetsbare kinderen van Amsterdam. Een geschiedenis die scherp contrasteert met de huidige luxe en die het hotel, volgens datzelfde artikel, liever niet benadrukt.

De library kon ik niet zo snel ontdekken, maar aan de witte badjassen van enkele gasten te zien, was ik dicht bij de spa beland. Verder doorlopen leek me onverstandig, bovendien wilde ik niemand in verlegenheid brengen. Ik vond het al bijzonder genoeg dat mij tot dusver geen stroobreed in de weg was gelegd.

Ik liep over dezelfde trap naar beneden en zag hoe een vrouw met kind door een gastvrouw naar de lift werd begeleid. In de lounge zag ik een half opgegeten appelgebakje met een kopje thee ernaast.

Bij het verlaten van het hotel werd de eerste glazen deur voor me geopend door een gastvrouw, de tweede door twee jonge mannen. Ze wensten me een fijne dag. Ik bedankte ze hartelijk, ritste mijn jas dicht, liep de trap af en was opgelucht weer op aarde te zijn neergedaald.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 103e blog. Over een maand verschijnt de 104e. Omdat het kan. Aanmelden kan ook. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

Poffertjes

‘Niet instappen’ stond op de borden op het perron in Leeuwarden. Maar de deuren stonden wagenwijd open, het licht brandde en het was vroeg, te vroeg en de kou beet door mijn jas heen. De trein naar Utrecht was net voor mijn neus vertrokken en dit zou de volgende worden naar de bewoonde wereld. Na twee minuten dralen stapte ik toch maar in, nestelde mij op een tweezitsbank, nam een paar slokken koffie en sloeg mijn boek open. Even later begon de trein zachtjes te rollen.

In Heerenveen schoof er een blonde vrouw naast me. Halverwege de dertig, schatte ik. Ze droeg een lange jas die ze zittend probeerde uit te wurmen. Haar armen zwiepten als losse slingers door het luchtruim terwijl ik deed alsof ik opging in mijn boek. Het was nog te vroeg voor heldendaden. Bovendien: geen goedemorgen, dus dan houdt het ergens op. Ze bleef half op haar jas zitten; één mouw hing over de leuning aan mijn kant. Ach ja, als dat mijn bijdrage aan de wereldvrede was, prima.

Ze pakte haar handtas, deed ‘m open en haalde er een doosje uit die ze op het opengeklapte dienblad zette. Met een spiegeltje deed ze haar ochtendritueel: ogen bijtekenen, wimpers kleuren, wangen laten glanzen, lippen rood. Ik zag uit mijn ooghoeken dat ze haar gezicht in allerlei plooien trok en toen ze klaar was waren we al voorbij Steenwijk. Het doosje verdween, een nieuwe kwam ervoor in de plaats: een broodtrommel.

Ze klapte het doosje open, pakte een mes en een vork erbij en begon in stilte te snijden. We zaten in een stiltecoupe, dus het enige geluid dat werd geproduceerd was de op elkaar tikkende mes en vork. Ze boog zich helemaal voorover, vermoedelijk om te voorkomen dat er eten op haar kleren zou vallen. Mijn nieuwsgierigheid won: poffertjes. Ze zat kleine, goudbruine poffertjes te fileren alsof het haute cuisine was. Ze at langzaam, aandachtig, alsof elk hapje de dag iets draaglijker maakte. Na het laatste poffertje ging het trommeltje dicht en verdween het weer in de tas, samen met mes en vork. Precies op tijd: we reden Zwolle binnen. Ze klapte het tafeltje in, stond op, schoot in haar jas en stapte uit.

De stilte die achterbleef was groter dan de ruimte naast me. Ik haalde een boterham uit mijn tas, nam een hap en probeerde de draad van mijn boek weer op te pakken.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 102e blog. Over een maand verschijnt de 103e. Omdat het kan. Aanmelden kan ook. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

Bus

Een paar dagen geleden stapte ik in een Flixbus die ons van Milaan naar Bazel zou brengen. De chauffeur stond naast de bus en controleerde onze kaartjes. Hij wees vervolgens naar de ruimte onder de bus waar we onze rugzakken konden neerzetten. “No”, zei hij, en wees vermanend naar een A4-tje waar Zürich op stond. Onze tassen moesten náást Zürich, dat was blijkbaar de plek voor de Bazel-gangers. Toen iedereen was ingestapt, ging onze chauffeur achter het stuur zitten en reed weg. Geen welkomstwoord, geen route info of iets over het weer, gewoon rijden. Na twee uur stopte hij bij een parkeerplaats en maakte de deuren open. Blijkbaar was het tijd voor een pauze want de chauffeur verdween naar binnen waar de gebruikelijke dingen gedaan konden worden. Ook wij verlieten de bus en liepen rondjes over de parkeerplaats. We hadden een mooi uitzicht over de majestueuze bergen van de Alpen, waar de middagzon de besneeuwde toppen mooi deed glinsteren. Tegelijkertijd hielden we de bus goed in de gaten. Het was ons niet duidelijk wanneer de chauffeur zou terugkomen. Contact met medepassagiers hadden we niet, iedereen was druk met eigen bezigheden en daar wilden we hen niet in storen. Dat bleek wederzijds te zijn.

Toen we de chauffeur na zo’n 20 minuten terug zagen komen in zijn felgroene jas, stapte iedereen de bus in. De chauffeur ging weer achter het stuur zitten, deed de deuren dicht en vertrok. Geen controle of iedereen aan boord was, geen ervaringen uitwisselen over de kwaliteit van de koffie of de hygiëne van de toiletten. Gewoon rijden.

In Zürich herhaalde het ritueel zich. Passagiers eruit, nieuwe erin en weer door. De chauffeur reed met vaste hand door het drukke stadsverkeer en ook op de snelweg was het een heer. Aangekomen in Bazel reed hij de parkeerplaats bij het station op en sprak voor het eerst: “Goede reis verder”. Die woorden ontroerden me. Verheugd stapten we uit, pakten onze bagage en wensten we hem nog een fijne dag. Ik moest denken aan het verhaal over het jongetje van vier die aan tafel zat met zijn ouders achter een kop tomatensoep. Tot dan toe had hij zijn hele leven nog niks gezegd. “Mag ik het zout?”, vroeg hij plots. Zijn ouders vielen stil, keken hem aan, keken elkaar aan en stamelden vervolgens “Waarom heb je nooit eerder iets gezegd?” ”Tot nu toe was alles prima”.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 101e blog. Over een maand verschijnt de 102e. Omdat het wél kan. Aanmelden kan ook. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

Blog Honderd

Dit is mijn honderdste blog en dat is een echte mijlpaal. De eerste verscheen op 30 mei 2017 en ging over een fietsbel. Daarna volgden meer fietsonderwerpen, steeds met een foto erbij. Later verbreedden de thema’s zich. Soms afstandelijk, maar steeds vaker persoonlijk. Zoals de huisarts die via de lokale politiek de gezondheid van de bevolking wilde beïnvloeden. Of de ode aan mijn vader, die ruim vier jaar geleden overleed. Dramatiek relativeer ik vaak met een kwinkslag, al heb ik geleerd dat langer stilstaan soms beter werkt.

Na een paar jaar kreeg ik het boek 1000 Pinguïns onder ogen, gemaakt door grafisch kunstenaar Wasco. De subtitel luidt ‘Pinguïns zijn Cool’ en dat onderschrijf ik van harte. Sindsdien voeg ik bij elke blog een pinguïn toe. Met de voorraad pinguïns kan ik nog tachtig jaar vooruit.

Of ik dat ga doen? Geen idee. Vooraf voel ik vaak lichte paniek als ik nog geen onderwerp heb. Dan ga ik achter mijn laptop zitten, kijk naar buiten, neem een slok koffie en sluit ik mij helemaal af. Van Kees van Kooten heb ik geleerd om te “blijven zitten tot het er staat”. Als het goed gaat heb ik anderhalf uur later de blog klaar en laat ik ‘m nog even rusten voordat ik ‘m post.

Dat is ruim acht jaar goed gegaan op één keer na. De redenen zijn te triviaal om te benoemen en er was één oplettende lezer die vroeg waar de blog bleef. Dat wil niet zeggen dat de andere lezers niks hebben opgemerkt, maar ook als dat wel zo zou zijn is dat niet erg. Tenslotte schrijf ik ze omdat ik het leuk vind om mijn gedachten te ordenen en standpunten te verkennen. Dat zijn genoeg redenen om door te gaan.

Alvorens dat te doen attendeer ik jullie graag op mijn boek dat binnenkort verschijnt: Dwars door de Donaudelta. Een fietstocht langs de Donau van Boedapest tot de Zwarte Zee. De live boekpresentatie is op zaterdag 8 november om 15.00 uur in het dorpshuis van Gerkesklooster. Dus lezers, voel je welkom en laat een daverend applaus horen, want ook al doe ik dit “voor mezelf”, het is fijn dat jullie er zijn! Hierbij mijn applaus alvast retour.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is alweer mijn 100e blog. Een echte mijlpaal. Over een maand verschijnt de 101e. Aanmelden kan nog steeds. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

Praatgraag

‘O jee, daar komt juffrouw Praatgraag aan’.

Ik zit samen met mijn moeder op een bankje bij haar verzorgingshuis, na een tocht op de duofiets. De polderzon zakt maar is nog warm genoeg om in T shirt buiten te zitten. Links zie ik een enigszins krom lopende vrouw aankomen in korte pasjes, blik omlaag.

‘Ja hoor, het is haar’, zegt mijn moeder, ‘nou gaan we het beleven’.  

Mijn moeder woont hier al enkele jaren en voelt zich thuis. De verzorgenden zijn aardig en laten haar zoveel mogelijk zelf de regie houden.

‘Je kunt niks meer zelf bepalen’ verzucht ze regelmatig. Vooral het eten stoort haar. ‘Ik wil niet om twaalf uur warm eten, dan heb ik net de koffie op. Dus warm ik het later maar op in de magnetron’.

De vrouw staat naast ons.

‘Heb jij Herman gezien?’ vraagt ze bits, ‘we zouden hier afspreken en hij is er niet!’.

‘Nee’, zegt mijn moeder, ‘we hebben hem niet gezien, misschien is hij binnen?’

‘Binnen? We hadden hiér afgesproken! Hij gaat toch niet zomaar naar binnen.’ Ze moppert nog wat en gaat naar binnen.

‘Beetje sneu’ zegt mijn moeder, ‘ze is altijd haar man kwijt en is ook vaak op zoek naar haar huis. In het begin probeerde ik haar nog wat te helpen, maar dat werkt niet’.

‘Niet?’

‘Nee. Hoe meer begrip ik toonde, hoe langer ze bleef. Soms kwam ze zomaar mijn kamer binnen en begon hele verhalen. Uiteindelijk ben ik kort van stof geweest, en sindsdien laat ze me met rust.’

‘Slim geregeld.’

‘Ik heb haar ook wel eens naar de verpleging gebracht. Dan kon zij haar verhaal doen en ging ik er snel vandoor.’

We drinken onze thee in de laatste zon. Terug op haar kamer hangt mijn moeder haar jas op de kapstok en neemt plaats bij het raam met de krant, enkele boeken en de telefoon onder handbereik.

‘Wil je nog wat drinken? Of een appel voor onderweg?’

’Nee mam, het is prima zo’. Ik geef haar een afscheidszoen en krijg er twee terug.

‘Nou jongen, leuk dat je er was. En goede reis naar huis’.

‘Doe jij de groeten aan juffrouw Praatgraag?’ zeg ik bij de deur.

‘Dat zal ik doen’, zegt ze opgewekt, ‘en de groeten alvast terug.’

Als ik even later met de auto langsrij, staat ze op haar balkon te zwaaien. En ik zwaai terug.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 99e blog. Over een maand verschijnt alweer de 100e. Wat vliegt de tijd. Aanmelden kan nog steeds. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

Weerzien

We stapten op de fiets voor een tocht van Noord- naar Midden-Limburg, op zoek naar een oud huisgenoot die we ruim 35 jaar geleden voor het laatst hadden gezien. In onze Maastrichtse studententijd deelden we lief en leed onder één dak, maar na onze verhuizing was het contact abrupt gestopt. Geen telefoontje, geen mail — niets. We vroegen ons af hoe het met hem was gegaan.

Op internet was hij onvindbaar, geen sociale media, geen spoor. Maar door een toevallige foto, waarop hij met enkele anderen voor een groot huis stond, was er een aanknopingspunt. Door speurwerk van mijn fietsmaat hadden we een adres. En dus fietsten we, met gezonde spanning, de Peel door. Beken, bossen, verstilde dorpen. Wat zouden we aantreffen?

Eenmaal aangekomen stonden we bij een groot vrijstaand oud gebouw met een bankje ervoor en enkele potplanten. Een auto stond er slordig geparkeerd, ramen open. Het interieur kwam ons vaag bekend voor — het zou zomaar zijn auto kunnen zijn. We belden aan. Stilte. Nog eens. Geen reactie. We liepen een rondje om het huis, keken naar binnen, maar alles bleef bewegingloos. We gingen op het bankje zitten. Wat nu? Was hij thuis? Even weg? Woonde hij hier wel?

Toen zagen we een overbuurman. We spraken hem aan en legden uit wie we waren. ‘Je moet lang en hard bellen,’ zei hij. ‘Hij moet thuis zijn, kijk maar, daar staat de auto’.

We belden opnieuw — lang en hard — en ja, eindelijk, na een paar minuten, bewoog de deurklink. De deur ging op een kier. Een slaperig hoofd verscheen. Het was onmiskenbaar hem.

‘Is er iets?’ vroeg hij met een frons. Geen herkenning.

‘Wij zijn het’ en we noemden onze namen.

Hij keek. Lang. Toen drong het door. Zijn ogen vernauwden zich, de deur ging verder open.

‘Wat ben jij kaal geworden’, zei hij met een grijns. Ja, dit was ‘m. Geen twijfel.

‘Tja’ zei ik, ‘ik ga m’n vader achterna’.

We mochten binnen komen. Hij was in slaap gevallen bij de Tour.

‘Koffie?’

Het gesprek wilde niet goed op gang komen. We spraken over vroeger, maar het bleek lastig om al die jaren te overbruggen. Het was alsof we elk moment terug konden vallen in stiltes. Na een half uur zei hij: ‘het gaat zo regenen, jullie moeten weer gaan fietsen’. We glimlachten het weg, maar bij een tweede hint wisten we dat het tijd was. We gaven hem een hand.

‘Het ga je goed’.

Ons doel was bereikt. Maar of we er hem een plezier mee deden? We reden weg zonder het echt te weten.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 98e blog. Over een maand verschijnt de 99e. Omdat het kan. Ook aanmelden kan. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

Nou en of

Onlangs heb ik ontdekt dat ik zelf vogelhuisjes kan maken. Je pakt wat hout, je zet het in elkaar en je hangt het op. Dacht ik. Maar dat bleek een misvatting want ook over een vogelhuisje moet vooraf goed worden nagedacht. Op de eerste plaats de afmetingen: hoe groot moet een vogelhuisje zijn, wat vinden vogels prettig? Vervolgens het dakje: is dat één plankje dat schuin naar beneden loopt of een puntdakje? Waar komt het deurtje om het vogelhuisje open te kunnen maken en te verschonen? En hoe maak je dat deurtje open? Allemaal vragen waar ik een antwoord op moest bedenken. Later kwam ook de vraag hoe groot het gaatje moet zijn waar de vogel doorheen moet. En of het dakje gelakt moet worden als bescherming tegen de inwerking van de regen.

Enfin, vol goede moed ging ik aan de slag en voelde mij een kleine Bob de Bouwer. Zagen, schuren, boren, schroeven, al het gereedschap kwam voorbij. Muziekje erbij en na een goede kop koffie had ik even het gevoel hier mijn beroep van te maken. Zou er veel vraag zijn naar vogelhuisjes?

Het echte handwerk heb ik van huis uit nooit meegekregen. Mijn vader had wel een hamer, maar ik heb hem nooit betrapt op het gebruik ervan. Ook bij verhuizingen zorgde hij altijd voor de koffie. Niet onbelangrijk, maar geen stimulans voor de doe-het-zelver. Toen hij mij een keer met een boor zag lopen, zei hij bemoedigend: ‘Nou zul je een aap zien vlooien’. Ik boorde het gat, stopte er een plug in en draaide de schroef aan. ‘Zo, zo, waar heb je dat geleerd?’ vroeg hij verbaasd.

Toen het vogelhuisje klaar was leek het ook echt op een vogelhuisje. Vervuld van trots keek ik ernaar. Ik zag wel enkele verbeterpuntjes voor een volgend huisje, maar als vogel ga je toch niet zitten zeuren over een kiertje hier of daar. Als ze zelf nestjes maken is het a. veel meer werk en b. zit er vaak niet eens dakje op. Maar één vraag had ik nog vergeten te beantwoorden: hoe hang je een vogelhuisje op? Toen ook dat was opgelost bleek dat het broedseizoen allang begonnen was en dat de vogels waarschijnlijk tot volgend jaar gaan wachten voor ze gebruik gaan maken van mijn huisje. Geen probleem, ook zonder vogels is het een sieraad aan de boom.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 97e blog. Over een maand verschijnt de 98e. Omdat het kan. Ook aanmelden kan. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via: