Weerzien

We stapten op de fiets voor een tocht van Noord- naar Midden-Limburg, op zoek naar een oud huisgenoot die we ruim 35 jaar geleden voor het laatst hadden gezien. In onze Maastrichtse studententijd deelden we lief en leed onder één dak, maar na onze verhuizing was het contact abrupt gestopt. Geen telefoontje, geen mail — niets. We vroegen ons af hoe het met hem was gegaan.

Op internet was hij onvindbaar, geen sociale media, geen spoor. Maar door een toevallige foto, waarop hij met enkele anderen voor een groot huis stond, was er een aanknopingspunt. Door speurwerk van mijn fietsmaat hadden we een adres. En dus fietsten we, met gezonde spanning, de Peel door. Beken, bossen, verstilde dorpen. Wat zouden we aantreffen?

Eenmaal aangekomen stonden we bij een groot vrijstaand oud gebouw met een bankje ervoor en enkele potplanten. Een auto stond er slordig geparkeerd, ramen open. Het interieur kwam ons vaag bekend voor — het zou zomaar zijn auto kunnen zijn. We belden aan. Stilte. Nog eens. Geen reactie. We liepen een rondje om het huis, keken naar binnen, maar alles bleef bewegingloos. We gingen op het bankje zitten. Wat nu? Was hij thuis? Even weg? Woonde hij hier wel?

Toen zagen we een overbuurman. We spraken hem aan en legden uit wie we waren. ‘Je moet lang en hard bellen,’ zei hij. ‘Hij moet thuis zijn, kijk maar, daar staat de auto’.

We belden opnieuw — lang en hard — en ja, eindelijk, na een paar minuten, bewoog de deurklink. De deur ging op een kier. Een slaperig hoofd verscheen. Het was onmiskenbaar hem.

‘Is er iets?’ vroeg hij met een frons. Geen herkenning.

‘Wij zijn het’ en we noemden onze namen.

Hij keek. Lang. Toen drong het door. Zijn ogen vernauwden zich, de deur ging verder open.

‘Wat ben jij kaal geworden’, zei hij met een grijns. Ja, dit was ‘m. Geen twijfel.

‘Tja’ zei ik, ‘ik ga m’n vader achterna’.

We mochten binnen komen. Hij was in slaap gevallen bij de Tour.

‘Koffie?’

Het gesprek wilde niet goed op gang komen. We spraken over vroeger, maar het bleek lastig om al die jaren te overbruggen. Het was alsof we elk moment terug konden vallen in stiltes. Na een half uur zei hij: ‘het gaat zo regenen, jullie moeten weer gaan fietsen’. We glimlachten het weg, maar bij een tweede hint wisten we dat het tijd was. We gaven hem een hand.

‘Het ga je goed’.

Ons doel was bereikt. Maar of we er hem een plezier mee deden? We reden weg zonder het echt te weten.

Uit: 1000 PINGUÏNS Door: WASCO

Dit is mijn 98e blog. Over een maand verschijnt de 99e. Omdat het kan. Ook aanmelden kan. Schrijf je in op de E-mail nieuwsbrief. Zie https://janfossen.nl/

Deel dit via:

2 gedachten over “Weerzien”

Plaats een reactie